Inkomensgrenzen toewijzing woningcorporaties naar inkomen
Met de inwerkingtreding van de herziene Woningwet per juli 2015 zijn de regels voor toewijzing van sociale huurwoningen tot €710,68 aangepast. Deze grens is vervolgens tot en met 2018 bevroren. Vanaf 2019 is dit niet meer het geval.

Als gevolg van de indexatie van de algemene maximum huurgrens voor huurtoeslag wordt de toewijzingsgrens in 2019 verhoogd naar €720,42 (verhoging met het prijsindexcijfer 1,37%). De huurprijsliberalisatie geldt niet voor huurovereenkomsten die vóór 1 juli 1994 tot stand zijn gekomen, met uitzondering van huurovereenkomsten waarop de interim-huurliberalisatiemaatregel van toepassing was. Onder deze interim-maatregel, van kracht van 1 juli 1989 tot 1 juli 1994, vallen huurovereenkomsten met betrekking tot zelfstandige woningen die voor het eerst op of na 1 juli 1989 werden bewoond en waarvoor bij de aanvang van de bewoning een huurprijs was overeengekomen, die uitsteeg boven de maximale huurprijs waarbij individuele huursubsidie werd toegekend.

Volgens de Woningwet moeten woningcorporaties ten minste 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen toewijzen aan de doelgroep. Tenminste 80% daarvan moet worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tot €36.798 (in 2018).

Deze inkomensgrens wordt per 1 januari 2019 aangepast met dezelfde ontwikkeling als het referentie-inkomensijkpunt voor meerpersoonsouderenhuishoudens in de huurtoeslag. Hiertoe wordt de grens jaarlijks bij de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting (RTIV) aangepast.

De inkomensgrens waar woningcorporaties per 2019 rekening mee moeten houden, zal €38.035 bedragen.

Tot en met 2020 mogen corporaties ten hoogste 10% van de vrijkomende sociale huurwoningen toewijzen aan huishoudens met een inkomen tot € 41.056 (in 2018). Deze grens wordt met dezelfde ontwikkeling aangepast en zal per 1 januari 2019 €42.436 bedragen.

De overige 10% vrijkomende sociale huurwoningen mogen woningcorporaties vrij toewijzen. Hierbij moeten zij de geldende voorrangsregels uit de plaatselijke huisvestingsverordening en de voorrangsregels uit het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting (BTIV) in acht nemen. Dit betekent bijvoorbeeld dat zij voorrang moeten geven aan mensen die door fysieke of psychische beperkingen moeilijk aan passende huisvesting kunnen komen.

Woningcorporaties moeten ingevolge de Woningwet en het BTIV jaarlijks aan 95% van de woningzoekenden met recht op huurtoeslag volgens de Wet op de huurtoeslag een woning toewijzen met een huurprijs onder de voor hen toepasselijke aftoppingsgrens.

Inkomensgrens verkoopregels woningcorporaties
Volgens het BTIV geldt dat voor degene die een woongelegenheid van een woningcorporatie wenst te kopen met een korting van 10% tot maximaal 25%, op de waarde vrij van huur en gebruik geen waardedeling hoeft worden overeengekomen als het huishoudinkomen niet hoger is dan €41.056 (in 2018).

De hoogte van het huishoudinkomen wordt jaarlijks per 1 januari 2019 aangepast met dezelfde ontwikkeling als het referentie-inkomensijkpunt voor meerpersoonsouderenhuishoudens in de huurtoeslag.

Per 1 januari 2019 zal deze grens €42.436 bedragen.

Aftoppingsgrenzen
De aftoppingsgrens voor één- en tweepersoonshuishoudens zal na verhoging met 1,7% het komende tijdvak €607,46 bedragen (is nu €597,30) en €651,03 voor huishoudens die uit drie of meer personen bestaan (is nu €640,14).

Het gedeelte van de huur dat boven de aftoppingsgrens uitkomt, wordt bij meerpersoonshuishoudens niet meegenomen voor het vaststellen van de hoogte van de huurtoeslag; huishoudens met een oudere, alleenstaanden en gehandicapten krijgen van het huurdeel boven de aftoppingsgrens 40% vergoed.

Lees de volledige inhoud van de MG-circulaire 2018-02 via deze link